[Lüske / Chidda] <QUOTE> "Bertus Lüske" (interview by Jort Kelder)

(English below)

Ruzie met de kraakbeweging. Ruzie met de overheid en ruzie met veel vastgoedvrienden. Bertus Lüske is een man met een reputatie. Zijn bezit van vele tientallen panden bestempelt hem tot een van de grote pandjesbazen van de hoofdstad. Vorig jaar verkocht hij nog een blokje aan het Rembrandtplein voor 26,1 miljoen gulden. Zijn vermogen? ‘Zet mij maar op honderd miljoen, dan zit je altijd goed.’ Het Spekulatie Onderzoeks Kollektief publiceerde ‘De Lüske Brochure’, een zwartboek waarin de vastgoedman beschuldigd wordt van crimineel gedrag en banden met de onderwereld.


‘Ik heb respect voor hem’, zegt collega Harry Mens. ‘Bertus is voor niemand bang.’ Maar waarom lijkt iedereen altijd tegen hem? Neem nou afgelopen voorjaar. De eerste mei had een glorieuze dag voor Bertus Lüske moeten worden. Na tien jaar dromen en een drie jaar durende verbouwing van zes miljoen gulden, zou hij met zijn gezin in de oude villa  van de weduwe Jaffa-Pierson trekken. Die zaterdagochtend keek Lüske echter niet uit over een sappig Goois gazon, maar tegen een stalen celdeur in het Amsterdamse hoofdbureau van politie. Wat was er gebeurd? Een paar dagen eerder was Lüske om zes uur ’s ochtends met ‘een paar jongens’ naar de Hornweg 6 in het westelijke havengebied gereden. Doel: herovering van het terrein van de oude ADM-werf, in eigendom van Lüske maar een paar maanden eerder in bezit genomen door een groep krakers. Zoals vaker in de carriere van Bertus Lüske kwam het tot een treffen. Lüske, een gevierd bokser, zou rake klappen hebben uitgedeeld, een kraker aan de nek hebben opgetild en tekeer zijn gegaan met een brandblusser. ‘Allemaal opgeklopte verhalen’, zegt hij zelf. ‘Een levensgevaarlijke man’, stellen de krakers. ‘Hij is in paniek geraakt en om zich heen gaan slaan. Dat is heel dom’, vind zijn advocaat. Sindsdien wordt Bertus Lüske verdacht van poging tot moord, subsidiair poging tot zware mishandeling, dreiging met misdrijf en vernieling. Het verhaal van een gewone jongen.

‘Zakendoen heb ik geleerd op straat. Dat is de beste plek. We waren thuis met negen kinderen en arm, dus vindingrijk. Mijn ouders vonden het belangrijk dat er een paar centen binnenkwamen. Ik spijbelde veel, maar ben nooit blijven zitten. De potkachel moest roken. Ik deed alles - sneeuw schuiven, ijzer ophalen, zolder opruimen. Toen ik negen was had ik mijn eerste baantje. Bij de schillenboer. Drie dagen in de week, vanaf ’s ochtend vier uur schillen lopen. Op het terrein van die boer liepen ook kippen. Ik kon niet thuiskomen als ik er niet minstens twee de nek had omgedraaid.


Mijn vader was slagersknecht. Intelligente man. Op latere leeftijd deed hij de HBS. Hij was sterk en een goeie bokser. Als de oorlog er niet tussen was gekomen had hij naar de Olympische Spelen gekund. Hij slachtte bij ons thuis op één hoog clandestien koeien en varkens. Een keer was er een inval. Die Duitser smeet hij zo de trap af.


Op mijn twaalfde begon ik op de Dappermarkt met karren laden. Dat werd al snel standwerken. Met verhalen over de markt, het nieuws of de koningin probeerde je mensen op je hand te krijgen. Ik wilde voor mezelf beginnen en leende van familie 75 gulden. Ik huurde een bakfiets en ging naar de veiling. Een kar met vierhonderd gulden kersen kostte op die donderdag geen vierhonderd maar honderd gulden. Allemaal zuur of verrot. Dat geld had ik niet, dus ik wachtte tot zaterdagmiddag. Toen kon ik een vrachtwagen vol voor 75 gulden meenemen. Ik spoor de rotte exemplaren eruit en zette er een bord in: 10 pond voor 1 gulden. Ik reed de hele dag rond en schreeuwde me rot, maar verkocht bijna niets. Tot zo’n jodenjong me vertelde wat ik fout deed. Een pond kersen kostte normaal 69 cent, terwijl ik er tien voor een gulden verkocht. Ik heb de prijs verhoogd naar drie pond voor een gulden en zette een bord in de kar. “Daar de winst te klein is, gelieve niet van de kersen te eten.” Slim, want ze waren allemaal zuur. In twee dagen heb ik alles verkocht en verdiende zeshonderd gulden. Mijn eerste goeie les: verkoop nooit iets te goedkoop.

Ik was een brutaal ventje. Een vergunning had ik niet, dus werkte ik min of meer illegaal. Dan kocht ik een vrachtwagen vol fruit en liet die gewoon op de stoep uitladen. Dan kwam de politie. Ik moest wegwezen. Daar had ik natuurlijk geen zin in. “Al geeft u mij dertien bonnen, ik ga niet weg.” Dus om te pesten liep die agent dertien blokjes om en bleef maar bekeuringen uitdelen. Mijn moeder is dat er in de rechtbank vanaf gaan halen. “Mijn zoon verdiend niet met stelen maar met eerlijk werken zijn geld. Jullie straffen dat af.” Uiteindelijk veegde de rechter alle bonnen bij elkaar en bleef er 25 gulden over. Later heb ik toch maar het diploma ambulante handel  gehaald. Mijn enige officiële papiertje. Ik heb niet eens een zwemdiploma.


Op mijn achttiende had ik zeven marktkramen. Ik verdiende veel geld en werkte dag en nacht. In 1965 wilde ik een kroeg kopen. De Oude Lantaarn. Toen ben ik geld gaan lenen bij Freddy Heineken. Die kroeg kostte met verbouwing 92.000 gulden. Ik had maar 42.000, dus vroeg ik een lening bij de brouwerij aan voor vijftig mille. Ze moesten alles weten over balansen  en referenties, maar ik had natuurlijk geen papieren en nooit belasting betaald. Ze vonden het mooi dat ik uit een arm gezin kwam, maar op mijn blauwe ogen kreeg ik de lening niet. Uiteindelijk zat ik bij de directie toen meneer Heineken binnenkwam en knikte - het was in orde.


Toen kwamen de problemen. Op de markt had ik honderden klanten, maar die zijn zo weer weg. Dat is in een kroeg wel anders. Lastige klanten moet je eruit gooien, desnoods bij kop en kont. Maar omdat ik de hele dag op de markt stond, kwam daar weinig van. Ik sliep nauwelijks. Iedere morgen om vier uur op en vaak tot drie uur door in het café. Er stonden populaire jongens achter de bar. Maar wie appelen vaart, appelen eet. Zij kregen meer fooi in de hand dan ik omzet in de kassa. De omzet liep terug en de vaste kern zat allemaal maar te knobbelen. Ik heb wakker gelegen, want er moest iedere week FL. 241,50 naar de brouwerij. Toen heb ik het roer omgegooid en er een discotheek van gemaakt. We gingen open van acht tot twee, zodat er overdag ook niets meer uit de kassa verdween. De prijs van een glas bier verdubbelde naar een gulden. Rob Out, die ik goed kende, had een platenwinkeltje in de Kinkerstraat en draaide bij ons. Ook Ben Cramer kwam veel langs. Zo werd het gezellig. Meisjes mee, met tosti’s en saté. De omzet vloog van 1500 gulden per week naar achtduizend. Die lening was snel afbetaald.


Die discotheek was een succes, maar hij werd uitgewoond. Na twee jaar ben ik gaan verbouwen. Ik had de huismeester niet ingelicht, dus toen we aan het breken waren stond er ineens zo’n makelaartje uit Badhoevedorp op de stoep. Wat wij aan het doen waren: “Meneer, u breekt het huis af.” Ik heb geantwoord dat het huis verrot was en dat wij het juist nieuw aan het maken waren. Met veel goeie woorden heb ik het hele pand kunnen kopen voor 45 mille.


Even later kocht ik een lampenkappenzaak uit op het Dapperplein. Ook daar gingen we verbouwen en kreeg ik narigheid met een paar zusters. Die hadden daarnaast zeven panden. Ze wilden geen horeca in de buurt. Dus die heb ik voor een paar honderdduizend gulden kunnen uitkopen.


Toen had ik vijf goed draaiende horeca-zaken. Het was begin jaren zeventig en ik las in de krant dat de winkels van Simon de Wit te koop waren. Dat was nostalgie. Ik stond daar altijd op de stoep te standwerken. Die vier panden heb ik gekocht. Uiteindelijk had ik vijftien pandjes op het Dapperplein. Zo ben ik in het onroerend goed gegaan.



Ik heb altijd grote zaken gedaan en altijd veel risico genomen. Geen kantoren, maar veel huisjes en horeca-zaken. Je kunt beter dertig kleine dingetjes verhuren dan één grote. Het is meer werk, maar als een kantoor leegstaat heb je 29 keer meer gezeur. Bovendien wil ik niet opvallen. Hoe bekender je bent, hoe hoger de prijzen. Cadeautjes worden in dit vak niet gegeven. Je moet ervoor knokken. Niemand heeft mij kapot gekregen. Zelfs de krakers niet. In 1981 heb ik de Lucky Luyk gekocht. Er was een openbare veiling met veertig krakers in de zaal. Ze pakten de hamer van de veilingmeester af en sloegen zijn glas water van tafel. Dat irriteerde me zo dat ik mijn hand opstak en het hele pand heb gekocht. Contant, want ik kreeg er geen hypotheek op. Dat heeft nogal wat publiciteit opgeleverd, wat vooral voor de betrokken Rabobank vervelend was. Die krakers wilden niet weg. Ze moeten van je spullen afblijven, dus we zijn er met vijf jongens heen gereden. Laat ik het zo zeggen: ze gingen niet vanzelf. Daar ben ik simpel in: gaan jullie vanzelf of moeten we een handje helpen? Dus we hebben het schoongemaakt.

De linkse pers schreef meteen over de knokploeg van Lüske. Leugens. Als ik iets koop ben ik eigenaar. Overal ter wereld is dat zo, behalve in Nederland. Het was een andere tijd. Die krakers intimideerden met vlaggen van de Rote Armee Fraction en borden met “Wiegel dood”. De gemeente heeft geen leuke rol gespeeld. Ze lieten het mij eerst opkopen, zodat ze de problemen op Lüske konden afschuiven. Uiteindelijk heb ik de Lucky Luyk met zes miljoen verlies aan de gemeente moeten doorschuiven. Ik heb de bodem gezien, maar ben niet failliet gegaan. Nog nooit heb ik een pand in de executie gehad. Daar mag ik trots op zijn.

Ik ben een Amsterdamse koopman. Voor mij is één en één twee en geen elf. Een paar jaar geleden verkocht Heineken de oude Amstelbrouwerij. Een mooi pand voor een jongen uit Oost. Ze wilden er FL. 4.750.000 voor hebben. Er zaten volgens Van Gool, de makelaar, geen beperkingen op. Ik bood één miljoen onder onder de vraagprijs. Ik wilde een hotel beginnen met eronder een nachtclub. Dat kon ik wel rond krijgen op het stadhuis, maar dat zei ik er natuurlijk niet bij. Uiteindelijk kwamen we er uit voor FL. 3.850.000. Ik zette dezelfde middag nog mijn handtekening. En toen begon het. Ron van Roekel [een grote Amsterdamse kroegbaas, JK] wilde het eigenlijk hebben en belde met Heineken. Ineens ging het gerucht door de stad dat ik ander bier op de tap zou zetten. Of ik even bij Heineken langs wilde komen op de Stadhouderskade? Karel Vuursteen en z’n hele ploeg  zaten al klaar. “Het kan niet zo zijn dat we een pand aan jou verkopen en ander bier dan Heineken op de tap komt.” “Dat ligt aan jullie”, zei ik. Ik had een pand zonder kettingbeding met een kantoorbestemming gekocht. Ze boden mij honderdduizend gulden. Ik zei nog: “Per jaar?” Daar was ik niet in geïnteresseerd, gezien mijn totale investering van acht miljoen. Dus ik zei: “Jongens, niet moeilijk doen. Voor achtenhalve ton komt er Heineken op de gevel.” Beginnen ze een kort geding via Cor Zadelhoff, die de brouwerij inmiddels ook al aan de Hogeschool Holland had verkocht. Vervolgens wordt dat pand gekraakt. Verschrikkelijk. Ik stelde ze aansprakelijk voor de schade. Heineken wilde er vanaf. Dus ik naar Cor van Zadelhoff. Die zei: “Hé Bertus, je hebt gelijk. Pak een tonnetje schade en het is over.”



Zo gaat dat wat mij betreft niet. Toen ik wegliep bood hij twee ton en meteen eroverheen tien procent van de aankoopsom - bijna vier ton. maar ik had een koopcontract en wilde gewoon geleverd hebben. Dus ik ben met mijn vrouw en mijn zieke moeder op vakantie gegaan om de zon te zien op de Canarische Eilanden. We hadden alleen maar regen en m’n vrouw had het helemaal gehad. Ik kan daar wel tegen, maar zij niet. Dus ik heb gebeld en binnen twee minuten was het verkocht. Ik heb mijn eigen winst bepaald: 750.000 gulden. Ik ben weer helemaal goed met Heineken hoor, maar soms begrijp je ze niet. Ik kocht ’ns een pand aan de Vijzelstraat om er een grand café van te maken. Het gaat open en ik zie alleen maar drugsdealers. Blijkt Heineken het aan een of andere dealer te hebben onderverhuurd. Meteen een proces begonnen, want als je bij mij een stickie rookt ga je eruit. Die hashrommel is mij vaak aangeboden. Je gaf 10 mille en kreeg dertig terug. Maar ik heb vijf kinderen. Ik wil dat het goed blijft gaan.

De Westhaven is de grootste zaak van mijn leven. Het terrein van de oude ADM-werf. Totaal 43,5 hectare, waarvan 16 water. Het is uniek. De gemeente heeft daar alles in erfpacht uitgegeven, maar dit is eigendom. Ik ben er vier jaar mee bezig geweest voor ik het mei vorig jaar kocht. Het was van investeringsfonds Fortress. Die waren al sinds 1987 bezig met de gemeente. Ze hadden het aangeboden voor 37 miljoen, maar de gemeente was gaan rechten. Bovendien was het zes jaar gekraakt geweest. De rechter bepaalde dat het voor 26 miljoen naar de gemeente mocht gaan, maar ik had 27 geboden en was met kosten al 32 miljoen kwijt. We waren al drieënhalf jaar bezig, maar ze hadden nog steeds niet geleverd. Fortress was van de beurs gehaald en ondergebracht bij het Pay-Bas Property Fund. Die waren het spuugzat en verkochten de vastgoedportefeuille aan Vastned. Die kregen het probleem-Lüske om hun nek. Ik had geen zin om af te nemen omdat ik vond dat er nog een paar dingetjes niet leeg waren. Om eruit te komen probeerde ik een afspraak met Vastned-directeur Cor Streefkerk te maken. Dat ging helemaal niet, hij was op vakantie in Frankrijk en hield zich onbereikbaar. Voor mij gaat de zaak altijd voor, dus ik spande een kort geding aan. Eerst zouden we als grote mensen proberen te praten. Ik heb toen mijn hele agenda vrijgemaakt, kaartjes voor het voetballen weggegeven en zit op maandagochtend om negen uur klaar bij mijn advocaat in Rotterdam [Michel van Agt van Loeff Claeys Verbeke, JK] Geen Streefkerk. Hij kwam een halfuur later binnen en verontschuldigde zich dat er een file vanuit Brasschaat was.  Met dat soort smoesjes moet je bij Bertus Lüske niet aankomen. Ik was goed geïrriteerd. Na twee uur praten waren we er nog niet uit. Er waren harde woorden gevallen, ook omdat die advocaten alleen maar stemming maken. De mijne was nog partijdig ook. Ze eisten 81.000 gulden schade per dag, terwijl niet ik maar zij in gebreke bleven. Die claim kregen ze dus meteen terug. Dus ik zeg tegen de meneer van Nauta Durillh [compagnon Job van der Have, JK]: “U zit hier de boel op te naaien, maar ik heb met u niets te maken. Ik praat hier over mijn eigen geld, u niet. Dus hou die mooie verhaaltjes en die grote mond maar voor u.” Ik ben een simpele man zonder diploma’s, maar ik laat me de kaas niet van het brood eten. Of je nu prins Bernhard of meneer Vastned heet: er moet geleverd worden. we hadden nog twee uur voordat we in de rechtszaal moesten zijn. Ik was het zat. Dus ben ik alleen met Streefkerk naar een kamertje gegaan. “Luister Cor, er wordt hier in de ruimte geluld. Jullie zitten al tien jaar met een probleem. Ik wil betalen, de cheque zit in mijn zak, maar ik kan niet afnemen. Deze poppenkast moet stoppen.” Binnen een halfuur was de zaak afgemaakt . Ze betaalden één miljoen voor de kosten. Een later lopen we op de gang en ik zie de paniek in de ogen van die advocaten. “Zo heren, dan gaan we nu de zaak even op papier zetten”, zegt er een. Ik: “Nee, u houdt uw mond. Wij hebben de zaak gemaakt en gaan nu dicteren wat u moet opschrijven.” Advocaten zijn verschrikkelijke mensen. In zaken is het nog tot daar aan toe, maar ik heb ook een echtscheiding gehad. Als je dan ziet hoe ze zo’n familie uit elkaar gaan trekken, alleen maar om er zelf wijzer van te worden. Dat is geen goed volk.

Ik ben een simpele jongen met succes. Dat wordt mij niet gegund. De gemeente zit me dwars en de krakers proberen een martelaar van mij te maken. Er staat zoveel onzin over mij in de krant. Zo zou ik in de Westhaven opdracht hebben gegeven voor de sloop. Dat kan ik helemaal niet. Er was een sloopvergunning en we zijn er met een paar jongens van De Steenkorrel naartoe gegaan. Ik zou zelf de shovel hebben bestuurd, maar dat is opgeblazen kletspraat. Zo’n ding weegt 85 ton en kan ik niet besturen. Natuurlijk, ik ben erbij geweest. Maar alleen voor het hek op de openbare weg. Misschien heb ik een beetje met mijn lichaam gewerkt en ben ik een beetje druk, maar ik sla niet. Dat kun je toch niet hebben met de banken?


Op het terrein is niet te wonen. Er is niets, alleen een oude loods en twee kantoren zonder ramen. Ach, die krakers zijn niet veel gewend. Ze rijden Mercedes, maar wonen in bomen en in holen onder de grond.


Toen de politie arriveerde was er een hoekje van het kantoor af. We moesten stoppen met de sloopactie. Een vrouwelijke agent stapte uit: “U weet toch wel dat niet zomaar kan?” Ze kende me wel, zei ze. Maar dat moet mijn broer Marcel zijn geweest. Die heeft wat problemen gehad met zijn horecabedrijven en schijnt een kaartclub te hebben gehad.


Ik moest me op het bureau melden, maar ze had er niet bij gezegd wanneer. Dus ik ben naar huis gegaan. Daar is het mis gegaan. Ze heeft geprobeerd om me te bereiken, maar mijn kantoor was gesloten en ik zat thuis in een verhuizing dus ik heb het antwoordapparaat niet afgeluisterd. Die avond zat ik, zoals altijd op zaterdag, in de sauna. Maandagochtend kreeg ik mijn advocaat aan de lijn. De politie nam het hoog op. Ik zat in Arnhem om een paar honderd flats te kopen, en belde met die politieagente. Wat ging dat wijf tekeer. Ik had onmiddellijk langs moeten komen, maar nu was het te laat. Ze had de officier van justitie al ingeschakeld! Ik zei: “Morgen zit ik in Rotterdam, dus woensdagochtend ben ik bij u.” “Nee, u moet nú komen.” Maar ik kan niet vliegen. Voor de zekerheid ben ik even naar Klaas Wilting [woordvoerder politie Amsterdam] gegaan. Die ken ik van de Ajax-tribune. Volgens Klaas stelde het allemaal niets voor. Even een verklaring afgeven. Klaar. Woensdagochtend meld ik me, voor de zekerheid met m’n advocaat. Ik deed mijn verhaal. Na anderhalf uur was ik klaar en vroeg of ik mocht gaan. “Nee”, zei ze “U gaat in bewaring.” Mijn autosleutels mocht ik inleveren en de veters uit mijn schoenen. Ik kon meteen het hok in en dacht dat ze gek geworden waren. Mijn advocaat moest weg en ik werd verhoord door de hulpofficier. “Rookt u? Wilt u koffie?” Dat ging maar door, om tijd te rekken, zodat ze me in bewaring konden nemen. Je mag daar niets. Tweemaal tien minuten telefoneren per week. Eén keer per week douchen, tenzij je aan sport doet. Maar daar is de wachtlijst twee maanden. Het bezoek van mijn gezin ging op aan het tekenen van paperassen, omdat ik als enige handtekeningsbevoegd ben. Na drie dagen werd ik overgebracht naar het hoofdbureau, zeg maar een paar verdiepingen onder de kamer van Wilting.


Ik heb me netjes gedragen, maar als je de verhalen hoort…De een is junkie, de andere heeft iemand een mes op de keel gezet. Ik gaf mijn sigaretten weg, zodat ze me met rust zouden late. Na een week werd ik door een arrestantenbusje naar de Havenstraat gereden, om te worden voorgeleid aan de rechter-commissaris. Ik wilde vrijgelaten worden om mijn zwager te bezoeken, een goudsmid die longkanker heeft gekregen van de asbest. Dat werd ‘hangende het onderzoek’ gewoon geweigerd. Waarom? De officier lag dat weekend op het strand. Daar zijn geen woorden voor. Een dag later kreeg ik het overlijdensbericht.


De begrafenis was in Bergen op Zoom. Ik kreeg vrij, maar moest voor achten weer binnen zijn. Anderhalf uur heen, anderhalf uur terug. De bewakers hadden geluisterd: “Bertus, als je vijf minuten te laat bent pakken ze je.” Dat durfde ik niet aan vanwege de files. Ik ben naar huis gegaan en heb de hele dag met mijn advocaten geprobeerd om uitstel te krijgen. Ik zat al dertig dagen vast. Alle getuigenverklaringen van de krakers waren er, maar mijn getuigen werden niet gehoord. Eentje heeft zich zelfs viermaal gemeld, maar zijn verklaring werd niet opgetekend. Puur pesterij. Pas na 36 dagen kwam ik vrij. Alleen omdat ik me niet eerder had gemeld.

Ik ben wel wat gewend, maar nu sta ik met de rug tegen de muur. In de cel wist ik het soms even niet meer. Mijn vrouw is tien kilo afgevallen en we worden bedreigd. Telefonisch, je kunt niets bewijzen. De gemeente speelt een spelletje. Ze willen niet meer dan 26 miljoen voor de grond geven, dat is het probleem. Terwijl ik hem kan verkopen voor 87 miljoen. Een van de leiders van de krakers heeft mijn advocaat verteld dat het de gemeente allemaal niet slecht uitkwam. Iemand zou gezegd hebben: “Ga daar lekker zitten, het staat toch leeg.” Ruigoord was net ontruimd en Amsterdam had ze liever bij Lüske in de achtertuin dan in de binnenstad.


De ME heeft jaren mogen oefenen op mijn terrein. Ze betaalden daar niets voor, maar we hadden de afspraak dat als er iets misging, zij zouden zorgen dat het meteen leeg was. Ze wilden wel maar mochten niet.


Er is geen recht in Nederland. Ik heb een sloopvergunning, maar mag niet slopen. Het is toch duidelijk dat die krakers daar niet horen. Dat kost mij nu vijfentwintig duizend gulden rente per week. Dat mag allemaal maar, terwijl ik dat afgeslagen hoekje weer heb moeten herstellen voor vierduizend gulden. Ze stuurden me zelfs een rekening van twaalf mille voor gas en licht. Niet betaald natuurlijk. Die krakers wilden een feest op mijn grond geven waar ze vijftien piek entree voor vroegen en pillen verkochten. De overheid subsidieert dat.


Op dat lapje grond kan ik zeker vijftig miljoen gulden verdienen. Maar ze tikken dat geld liever af bij een grote bank. Lüske de eenling, de jongen van de markt, mag die winst kennelijk niet maken. Ze voeren een hetze tegen mij en proberen me uit te roken. De gemeente is de grootste speculant.


Ik doe me nooit mooier voor dan ik ben. Dat heb ik geleerd van Jaap Kroonenberg, mijn voorbeeld. Iedereen gaf op hem af. Net als ik met niets begonnen. Hij kende de waarde van het geld en zei altijd: “Te weinig vragen is luiheid.” Een lid van de raad van bestuur van de Amro Bank vroeg eens: ”Meneer Kroonenberg, is het waar dat u vroeger kippenplukker was?” “Ja”, zei Jaap, “Maar wel een hele goeie.” Een klasseman die niet opgaf bij een beetje tegenslag. Net als ik. Geen praatjesmaker die zich beter voordeed dan hij was. Dat zie je in het vastgoed ook wel. Een paar jaar geleden maakten we een cruise. We zaten aan een tafel met allemaal jongens die het goed gedaan hadden. Iedereen vertelde zijn levensverhaal. Lou Bartels [ex-penningmeester van Ajax] was aan de beurt en ging heel gewichtig zitten doen. Hij was een grote belegger, had 1300 flats - dat soort verhalen. “Lou”, zei ik, “Doe normaal, je komt net als ik gewoon van de markt.” Door die achtergrond heb ik leren vechten. Waar anderen verslappen, ga ik bij tegenslag alleen maar harder werken. Want een jongen van de straat blijft altijd knokken.'

====================

Quarrels with the squatters' movement. Quarrels with the government and quarrels with many real estate friends. Bertus Lüske is a man with a reputation. Possession of dozens of buildings designates him one of the major pawnbrokers of the capital. Last year he sold a block on Rembrandt Square for 26.1 million guilders. His capital? "Put me on a hundred million, then you're always right." The Speculation Research Collective (SpOK) published "The Lüske Brochure ', a black book in which the real estate agent is accused of criminal behavior and links with the underworld.



"I respect him", says colleague Harry Mens. "Bertus is not afraid of anyone." But why is it that everyone always seems against him? Take last spring. The first of May should have been a glorious day for Bertus Lüske. After dreaming for ten years and a three-year renovation of six million guilders, he would move with his family in the ancient villa of the widow Jaffa Pierson. Saturday morning however, Lüske did not have the view on a nice Gooi's lawn, but looked at a steel cell door at the Amsterdam police headquarters. What happened? A few days earlier six o'clock in the morning Lüske, with "a few boys had driven to Hornweg 6 in the western port area. Goal: reconquer of the old ADM shipyard, owned by Lüske, but just a few months before occupied by a group of squatters. As is often in the career of Bertus Lüske it came to an encounter. Lüske, a celebrated boxer, would have distributed some serious punches, would have lifted a squatter by the neck and gone on a rampage with a fire extinguisher. "All hyped up stories," he says. "An extremely dangerous man" according to the squatters. "He panicked and started throwing around punches. That is very stupid", his lawyer thinks. Since then Bertus Lüske is suspected of attempted murder, alternatively attempted aggravated assault, threats of violation and vandalism. The story of a regular guy.

"Doing business I learned on the street. That's the best place. We were at home with nine children and poor, so we had to be resourceful. My parents thought it important to have a bit of money coming in. I skipped school a lot, but never doubled a year. The stove should be smoking. I did everything - shoveling snow, pick up iron, attics cleanup. When I was nine I had my first job. With the peelings collector. Three days a week, starting four o'clock in the morning. On his grounds that farmer also had chickens roaming. I could not come home if I had not twisted at least two their neck. 
My father was a butcher's assistant. Intelligent man. In later life he did the HBS. He was strong and a good boxer. If the war had not come in between he could have gone to the Olympics. At our home on the second floor he slaughtered clandestine cows and pigs. One time there was a raid. That German he simply slammed down the stairs.

When I was twelve I started loading carts at the Dapper Market. Soon after I became a market vendor. With stories about  the market, the news or the queen you tried to get people on your hand. I wanted to start my own trade and borrowed from family members 75 guilders. I hired a tricycle and went to the auction. A cart with four hundred guilders cherries did cost that Thursday not four hundred but one hundred guilders. All sour or rotten. That money I did not have, so I waited until Saturday afternoon. Then I could take a full truck load for 75 guilders. I sifted out the rotten ones and put up a sign: 10 pounds for one guilder. I drove around all day and shouted myself hoarse, but sold almost nothing. Until a Jewish guy told me what I did wrong. A pound of cherries normally cost 69 cents, while I sold ten for one guilder. I raised the price to three pounds for a guilder and put a sign in the cart: "Since the profit is so small, please do not eat from the cherries." Smart, because they were all sour. In two days I sold everything and earned six hundred guilders. My first good lesson: never sell anything cheap.

I was a cheeky little fellow. A license I did not have, so I worked more or less illegally. Then I bought a truck full of fruits and let it unload just on the sidewalk. Then the police came. I had to get out. Of course I did not feel like it. "Even when you give me thirteen fines, I'm not leaving." So to bully me that cop rounded the block thirteen times and kept handing out fines. My mother went to court to get that back.. "My son earns his money not with stealing but with honest work. That you punish.” Ultimately, the court swept all fines together with a left-over of 25 guilders. Later I qualified anyway for a diploma street trading. My only official paper. I do not even have a swimming certificate.

When I was eighteen I had seven stalls. I earned a lot of money and worked day and night. In 1965 I wanted to buy a pub. The Old Lantern. Then I went to borrow money from Freddy Heineken. That pub did cost including renovation 92,000 guilders. I had only 42,000, so I asked for a loan from the brewery for fifty grand. They had to know all about balance sheets and references, but of course I had no papers and never paid taxes. They thought it nice that I came from a poor family but I did not get the loan on my blue eyes. Eventually I was in the directors office when Mr. Heineken came in and nodded - it was OK.


Then came the problems. At the market, I had hundreds of customers, but they are quickly gone. That's completely different in a pub. Difficult customers you have to throw out, if need be by the head and ass. But because I was all day at the market  I hardly slept. Every morning rising at four o'clock and often up till three in the cafe. There were popular guys behind the bar. But who sells apples, eats apples. They received more tips in hand, then I got as turnover in the cash register. Turnover declined and the regulars were just playing dice. I lay awake, because every week FL 241,50 had to go to the brewery. Then I changed tactics and made it into a discotheque. We opened from eight till two, so during the day nothing disappeared from the cash register. The price of a beer doubled to a guilder. Rob Out, which I knew well, had a record shop in the Kinkerstraat and played the turntable for us. Ben Cramer also came along a lot. So it became fun. Girls came along together with sandwiches and satay. Revenues soared from 1,500 guilders per week to eight thousand. That loan was paid off quickly.

That discotheque was a success, but was run down. After two years I started to renovate. I had not informed the caretaker, so when we were dismantling there was suddenly a wee broker from Badhoevedorp at the door. What we were doing, "Sir, you're breaking down the house." I replied that the house was rotten and that we were just refurbishing it. With lots of good words I could buy the whole property for 45 grand.
 A little later, I bought a shop for lampshades at the Dapperplein. There we also started renovating and I got in trouble with a few sisters, who owned seven neighbouring buildings. They did not want bars and/or restaurants in the area. So I managed to buy them out for a few hundred thousand guilders.

Then I had five well-running catering businesses. It was the early seventies and I read in the paper that the shops of Simon de Wit were for sale. They were nostalgia. I was always there vending on the sidewalk. Those four properties I bought. Eventually I had fifteen small buildings on the Dapperplein. That's how I got into real estate.




I've always done big business and always taken a lot of risk. No office buildings, but many houses and catering businesses. You can better rent out thirty small things than one big one. It's more work, but when an office building is empty, you have 29 times more trouble. Moreover, I do not want to stand out. The more well-known you are, the higher the prices. Presents are not given in this trade. You have to fight for it. No one has managed to brake me. Not even the squatters. In 1981 I bought the Lucky Luyk. There was a public auction with forty squatters in the hall. They snatched the hammer of the auctioneer and banged his glass of water from the table. That annoyed me so that I raised my hand and bought the entire property. Cash, because I could not get a mortgage. This has yielded quite some publicity, which was especially annoying for the involved Rabobank. Those squatters did not want to leave. They should stay away from my stuff, so we drove there with five guys. Let me put it this way: they did go by themselves. Then I am simple minded: are you going by yourselves or do we have to lend a hand? So we cleaned it.

The leftist press wrote immediately about the gang of Lüske. Lies. If I buy something I own it. All over the world it is like this, except in the Netherlands. It was a different time. Those squatters intimidated with flags of the Red Army Fraction and signs with "Wiegel dead." The municipality did not play a nice role. They first let me buy it, so they could shrug off the problems to Lüske. In the end I had to pass up the Lucky Luyk with a loss of six million. I have seen the bottom, but did not go bankrupt. Never ever I have had a house in foreclosure. Of that I may be proud.

I am an Amsterdam merchant. For me, one and one is two and not eleven. A few years ago, Heineken sold the old Amstel Brewery. A beautiful property for a boy from 'Oost'. They wanted FL. 4.75 million for it. According to Van Gool, the broker, there were no restrictions. I offered one million below the asking price. I wanted to start a hotel with a nightclub underneath. That I could wrangle at the Town Hall, but of course I did not mention that. Eventually we rounded it off at FL. 3,850,000. I put my signature that same afternoon. And then it started. Ron van Roekel [a big Amsterdam pub boss JK] actually wanted it and  phoned Heineken. Suddenly the rumor went around town that I would put another beer on tap. Could I pass by at Heineken on the Stadhouderskade? Charles Vuursteen and his entire team were ready. "It can not be that we sell a building to you and other than Heineken beer comes on tap." "That is up to you," I said. I had bought a property without a transferable clause for a office destination. They offered me a hundred thousand guilders. I said, "Each year?," I was not interested, given my total investment of eight million. So I said, "Guys, don't be so difficult. For eight and a half tons Heineken will be on the facade. "They started a lawsuit through Cor Zadelhoff, who in the mean time had also sold the brewery to the Hogeschool Holland. Then the building was squatted. Terrible. I held them liable for the damages. Heineken wanted to get rid of it. So I went to Cor Zadelhoff, who said: "Hey Bertus, you're right. Grab a ton or so in damages and it's over. "



Well, that's not my way of operating. When I walked away, he offered two tons and immediately on top of it ten percent of the purchase price - nearly four tons. But I had a purchase agreement and just wanted it to be delivered. So I went with my wife and my sick mother on holiday to see the sun on the Canary Islands. We had nothing but rain and my wife was totally fed up with it. I can deal with that, but she can not. So I called them and it was sold within two minutes. I determined my own profit: 750,000 guilders. I am completely okay with Heineken again, mind you, but sometimes one does not understand them. Once I bought a building at the Vijzelstraat to turn into a grand café. It opens and I see nothing but drug dealers. Heineken happened to have sublet it to some dealer. Immediately I started a court case, because if you smoke hashish at my place, out you go. That hashish shit has been offered a lot to me. You invest 10 grant and you receive 30. But I have five children. I want things to continue to go well.

The Westhaven is the biggest business in my life. The site of the old ADM yard. A total of 43.5 hectares, of which 16 water. It is unique. The municipality has everything there on long lease, but this is property. I've been busy with it for four years before I bought it last May. It was from investment fund Fortress. Who were already negotiating with the municipality since 1987. They had offered it for 37 million, but the municipality had gone to the judge. Moreover, it had been squatted for six years. The judge ruled that it should go to the municipality for 26 million, but my bid was 27 and including costs it amounted to 32 million. We were already three and a half years underway, but they still had not delivered. Fortress was taken from the stock exchange and placed under the Pay-Bas Property Fund, who were sick of it and sold the real estate portfolio to Vastned. Who then received the Lüske-problem around their necks. I did not want to take possession because I found out that a few things were not empty. To work things out, I tried to make an appointment with Vastned director Cor Streefkerk. That was impossible, he was on holiday in France and remained inaccessible. For me, business is always first, so I hitched a lawsuit. First we would like big people try to talk. I cleared my agenda, gave away soccer tickets and was sitting down and ready on Monday morning at nine with my lawyer in Rotterdam [Michel van Agt of Loeff Claeys Verbeke, JK]. No Streefkerk. He came half an hour later and apologized that there was a traffic jam from Brasschaat. That kind of poor excuses don't sit well with Bertus Lüske. I was seriously annoyed. After two hours of talking we were not getting anywhere. There were exchanges of harsh words because those lawyers were only making a scene. Mine was also biased. They demanded 81,000 guilders in damages per day, while it wasn't me, but them who failed. So this claim went right back to them. So I say to the gentleman of Nauta Durillh [associate Job van der Have, JK]: "You're here to fuck things up, but I don't have to deal with you. I'm here talking about my own money, you're not. So cut the crap and shut your big mouth”. I'm a simple man with no qualifications, but I don't let myself being bogged down. Whether you're Prince Bernhard or Mr. Vastned: you have to deliver. We had two hours before we had to be in the courtroom. I was fed up. So I just went to a room with Streefkerk alone. "Listen, Cor, it's all bullshit talk here. You have been stuck with a problem for ten years. I want to pay, the check is in my pocket, but I can not take possession. This charade has to stop. "Within half an hour the case was finished. They paid a million for the costs. A little later we're walking down the hall and I see the panic in the eyes of those lawyers. "So gentlemen, now we will put the matter on paper," says one. Me: "No, you keep your mouth shut. We have struck a deal and we will now dictate what you should write. "Lawyers are terrible people. In business one puts up with it, but I've also had a divorce. When you see how they are tearing a family apart, just for their own profit. Those are not good people.

I'm a simple guy with success. People don't like that. The municipality bothers me and the squatters try to make a martyr of me. There is so much crap about me in the newspaper. I would have given at the Westhaven the order for demolition. I can not do that at all. There was a demolition permit and we did go there with a few guys from De Steenkorrel. I myself would have controlled the shovel, but that is exaggerated nonsense. Such a thing weighs 85 tons and I can not drive it. Of course, I've been there. But only before the fence on the public road. Maybe I've worked a bit with my body and I'm a little busy, but I will not strike. That's not advisable with the banks, no? 
One can not live on the site. There is nothing, just an old warehouse and two offices without windows. Alas, these squatters are not used to much. They drive Mercedes, but live in trees and in caves underground.



When the police arrived, a corner of the office building was gone. We had to stop the demolition action. A female officer got out, "You do know you can not just do this?" She knew me, she said. But that must have been my brother Marcel. Who has had some problems with his catering business and seems to have had a card club. 
I had to report to the police station, but they did not say when. So I went home. From there on things went wrong. She has been trying to reach me, but my office was closed and I was at home in a move so I have not listened to the answering machine. That evening I was, as always on Saturday, in the sauna. Monday morning I got my lawyer on the phone. The police took it high on. I was in Arnhem to buy a few hundred apartments, and phoned that police officer. What was that bitch railing. I should have come down immediately, but now it was too late. She had already engaged the prosecutor. I said: "Tomorrow I'm in Rotterdam, so Wednesday morning I am with you." "No, you have to come right now," But I can not fly. Just to be sure I passed by Klaas Wilting [Amsterdam police spokesman]. Him I know of the Ajax-tribune. According to Klaas it was a lot of fuzz about nothing. Just a statement. Done. Wednesday morning I reported, just to be sure, together with my lawyer. I told my story. After one and a half hours I was ready and asked if I was allowed to go. "No", she said, "you are going to be in custody." I did have to hand over my car keys and the laces out of my shoes. I had to go right away in the cot and thought they were crazy. My lawyer had to leave and I was interrogated by the assistant prosecuter. "Do you smoke? Do you want coffee?" That went on and on, to gain time, so they could take me into custody. You are not allowed anything there. Ten-minute calls twice a week. Showering once a week, unless you practice sports. But for this the waiting list is two months. The visits of my family got filled up with signing papers, because I am the only one qualified to do so. After three days, I was transferred to the police headquarters, say only a few floors below the room of Wilting.


I behaved properly, but when you hear the stories ... One is a junkie, the other one has put a knife to someone's throat. I gave away my cigarettes, so they would leave me alone. After a week I was driven to the Havenstraat in a detainees van to be brought before the magistrate. I wanted to be released to visit my brother in law, a goldsmith who got lung cancer from asbestos. That was just refused 'pending investigation'. Why? The prosecuter was that weekend at the beach. There are no words for that. A day later I got the obituary.
The funeral was in Bergen op Zoom. I got released, but had to be back before eight. One and a half hours to go, and one and a half hours back. The guards had listened: "Bertus, if you're five minutes late they dupe you." I did not dare to because of traffic jams. I went home and tried the whole day with my attorneys to get a delay. I was already imprisoned for thirty days. All testimonies of the squatters were there, but my witnesses were not heard. One has even reported four times, but his statement was not recorded. Pure harassment. Only after 36 days I was released. Only because I had not immediately reported.

I'm used to quite a lot, but now I'm standing with my back against the wall. In the cell I sometimes lost it for a moment. My wife has lost ten kilos and we are threatened. By phone, you can not prove anything. The municipality plays a game. They do not give more than 26 million for the land, that is the problem. While I can sell it for 87 million. One of the leaders of the squatters told my lawyer that the municipality thought it was quite an OK arrangement. Someone would have said, "Go move over there, it's still empty." Ruigoord had just been vacated and Amsterdam preferred them much rather in the back yard of Lüske than in the city.
 The ME was allowed to practice for many years on my terrain. They paid nothing for it, but we had an agreement that if anything went wrong, they would ensure that it was immediately emptied. They wanted to, do but were not allowed.

There is no justice in the Netherlands. I have a demolition permit, but can not start. It is obvious that the squatters do not belong there. That costs me now twenty-five thousand guilders interest per week. That's all allowed, while I had to repair that damaged corner for four thousand guilders. They even sent me a bill of twelve grand for gas and electricity. Not paid, of course. Those squatters wanted to give a party on my terrain where they asked fifteen bucks entrance fee and sold pills. The government subsidizes this.
 On that piece of land I can certainly earn fifty million guilders. But they give that money rather to a major bank. Lüske the loner, the market boy, is obviously not permitted to make those profits. They conduct a smear campaign against me and are trying to smoke me out. The municipality is the biggest speculator.


I never pretend to be better than I am. I learned that from Jaap Kroonenberg, my hero. Everybody was reviling him. Just like me he started out with nothing. He knew the value of money and always said, "Too ask too little is laziness." A member of the board of directors of the Amro Bank once asked: "Mister Kroonenberg, is it true that you were formerly a chicken (feather) picker?" "Yes" said Jack, "But a very good one." A first class man who did not give up when encountering a little setback. Like me. No boaster posing better than he was. You can see that in real estate too. A few years ago we made a cruise. We sat at a table with all boys who had done well. Everyone told his life story. Lou Bartels [former treasurer of Ajax] was next, and started to act very important. He was a major investor, had 1300 flats - such stories. "Lou," I said, "get a grip, you're like me, just coming from the market." With that background, I learned how to fight. Where others relax, I'm just going to work harder in adversity. Because a street boy always keeps fighting."

Saturday, October 10, 1998 - 00:00