2007-03-08----- <VOLKSKRANT> "Dingen kunnen ook mislukken" ||| "Things can go wrong too"

(English below)

============

(Robodock #2, 1999  Foto: Roderick van Hasselt)

 

DINGEN KUNNEN OOK MISLUKKEN

Hij bouwde een vliegtuig dat echt opsteeg, en een houten auto die op hout liep. Het oeuvre van Joost Conijn is doordrenkt van heroïek....

Sacha Bronwasser  

8 maart 2007, 00:00

De kunstenaar is zojuist neergestort. Daar ligt zijn zelfgebouwde vliegtuigje op een Tsjechische akker: de kop geknakt, de neus sin de grond geboord. De kunstenaar kijkt zijn reisgenoot aan die het ook overleefd heeft en die wonder boven wonder blijft filmen. Een blik vol uitzinnige opluchting. "We hebben helemaal niks man." Adrenaline bruist. Zulke ogen zie je alleen bij jonge vaders – of bij een net aan de dood ontsnapte.

Dan, in de film OK-KUL 09 (2006), zit de kunstenaar in een ambulance, waar het besef over wat er zojuist gebeurd is, in hem zinkt als een steen in een rivier. Hij wordt er bleek van, wrijft zich over het gezicht, leunt achterover, voorover. Jaren ouder lijkt hij ineens. Want hij en zijn vriend hebben het dan wel overleefd, zijn kunstwerk is mislukt. Al die moeite, al die plannen en al dat blinde vertrouwen in de goede afloop: weg. Alles is nu anders. En het leek nog wel zo eenvoudig in elkaar te steken, voor Joost Conijn en zijn publiek. Er zijn denkers en doeners. Praters en makers. Thuisblijvers en reizigers. De ‘misschien’-zeggers en de ‘ja’-zeggers. Zo duidelijk lijkt de wereld te worden ingedeeld door het werk van de Nederlandse kunstenaar Joost Conijn, bouwer van voertuigen en maker van films. Bij uitgeverij Valiz verscheen vorige week het boek IJzer en Video, tegelijkertijd met zijn eerste grote solotentoonstelling in museum Boijmans Van Beuningen in Rotterdam.

Boek en tentoonstelling tonen een oeuvre dat doordrenkt is van dadendrang. De maker vindt uit, observeert, last, schrijft verhalen en gaat op avontuur onder de noemer van beeldende kunst – omdat dat een terrein is waar je heel veel verschillende dingen in vrijheid kunt doen. En doen is het middel en het doel.

Joost Conijn (Amsterdam, 1971) bouwde een fiets die achteruit reed en een brommer met zijn eigen lichaam als chassis. Hij maakte een poort van autodeuren die vanzelf openging als je er op afreed; het ding staat nog steeds ergens in de woestijn, in Marokko. Hij bouwde eigenhandig een vliegtuig dat echt opsteeg, en een houten auto die op hout liep. Met die auto reed hij door voormalig Oost-Europa tot in Tsjernobyl, waar hij vis at uit het verdoemde water daar. ‘De slagboom van het grootste gebied afgesloten voor de mens ten gevolge van een ramp, gaat voor ons open. We praten niet terwijl we over de rechte weg rijden die ons naar het hart van de zone leidt. We speuren om ons heen, bang als we zijn voor de straling, maar die is niet te zien.’(uit: De zone, 2001)

Daarna reed hij als outsider de wielerronde van Senegal. Vervolgens bleef hij thuis, rond zijn woonwagen op het afgelegen ADM-terrein in Amsterdam, om daar een stel buiten de wet en maatschappij levende kinderen op video vast te leggen. En begon daarna aan een nieuw vliegtuig.

Conijns voertuigen zijn mooi in hun eigen recht: eenvoudig, handgemaakt, zonder prefab oplossingen maar altijd functioneel. Van die werken en reizen maakte hij films, die eenvoudig Vliegtuig of Houtauto heten. Ze werden vertoond in zowel highbrow kunstinstellingen als op het documentairefestival IDFA, de televisie, in buitenlandse galeries en manifestaties en tijdens voorstellingen op gekraakte terreinen aan de rand van de stad. Ze zien er verleidelijk ongecompliceerd uit. Geen muziek, de camera dicht op het onderwerp, af en toe een eenvoudige vraag. Net zo eenvoudig als Conijn over zijn eigen werk spreekt. ‘Nou, waarom niet, ik denk dat iedereen een vliegtuig kan bouwen’ zei hij tegen de makers van een televisiedocumentaire in 2000, terwijl hij olie in zijn eigen vliegtuig goot. Maar iedereen weet dat dat niet zo is. Terwijl Conijn het luchtruim kiest, blijf je als kijker achter aan de denkende, thuisblijvende, ‘misschien’-zeggende kant van een gapende kloof. De kant waar geen vliegtuigen gebouwd worden, de klokthermostaat zijn werk doet en de premie voor de begrafenisverzekering op tijd betaald wordt. ‘We liggen languit in het gras naast de baan. Ik moet nog veel oefenen, maar het gaat perfect, hele mooie landingen, zegt Jelle. Ik zeg tegen Jelle: ‘Wil jij niet een rondje?’ Jelle antwoordt dat het niet mag van zijn vrouw, mocht hem iets overkomen, dan moet zij het hele stuk rijden naar Nederland.’(Politieman, 2006)

Zo’n kloof is misschien een diepromantische voorstelling van zaken, daarom is hij nog niet onwaar. Eerder klassiek. Hij werd bijvoorbeeld in het geboortejaar van Joost Conijn op de radio gebracht door Godfried Bomans en Jan Wolkers die na elkaar op het verlaten waddeneiland Rottumerplaat verbleven. Waar Bomans koortsig en bang voor de krijsende meeuwen een week lang in zijn tent schuilde en het bijna bestierf van eenzaamheid, liep Wolkers ‘in zijn naakte donder’ rond, leefde van zelf gevangen garnalen en zelf geplukte zeesla en redde een jonge zeehond het leven. Luister naar de opnames (uitgegeven als luisterboek) en je weet met wie je je het liefst identificeert – maar ook op wie je waarschijnlijk het meeste lijkt. Er schuilt nu eenmaal romantiek in de eenvoud, in het opheffen van obstakels en bezwaren en in die hang naar vrijheid, die zich overigens maar al te graag laat beschrijven.

Auteur Tommy Wieringa zocht bij de kunstenaar de informatie en de finesses voor de hoofdpersoon in zijn roman Joe Speedboot, die een vliegtuig bouwt en daarmee de bewoners van het verstikkende romandorpje Lomark schrik aanjaagt. Van een afstandje bekeken lijkt Joost Conijn zelf ook wel een beetje een romanpersonage. Inclusief details als een atletisch en tegelijk keurig uiterlijk, een voorkeur voor witte broeken en een stoet aan mooie meisjes en handige jongens die zich korter of langer bij hem aansluiten. En het gerealiseerde voornemen om nooit van zijn leven één druppel koffie te drinken, omdat dat tot de rituelen van de volwassenheid behoort (haalt auteur A.L. Snijders aan in het boek IJzer en Video). Dat laatste verbindt hem met de kunstenaar Panamarenko, meer nog dan het feit dat die ook vliegtuigen, vliegende schotels en onderzeeboten bouwt. Die zullen nooit echt bewegen, iets wat voor de kunstenaar Conijn onvoorstelbaar is. Maar beiden hebben het vermogen behouden om nieuwsgierigheid en vastberadenheid, die bij vrijwel alle mensen in de puberteit gesmoord wordt, over de grens naar volwassenheid te tillen. Als ‘kinderdromen die volwassen worden in hun eigen recht’ zoals Panamarenko in 2000 tegen de Volkskrant zei.

Er zijn ook andere verwante geesten. Zelf noemt Conijn John Körmeling, de al even onorthodoxe ingenieur-kunstenaar, vanaf hun eerste ontmoeting zijn grote voorbeeld en beste criticus. Ook Körmeling mystificeert niet en presenteert oplossingen die zo voor de hand liggen dat niemand ze durft te bedenken: maak van het Museumplein een stuk snelweg, of zet het woord THEE op een theehuis. De vanzelfsprekende schwung waarmee alles lijkt te lukken bij dit soort kunstenaars maakt jaloers. Acteur Frank Lammers, onlangs met de kunstenaar samen in de talkshow De wereld draait door, verwoordde de meest primaire reactie op het fenomeen met een zucht: ‘Ik wou dat ik Joost Conijn was.’Maar hoe lang blijft een kunstenaar een held uit een jongensboek?‘

Wielrenners bezitten de gewoonte hun benen te scheren. Dit is het brandmerk van een echte coureur. Ik ben met mijn ongeschoren benen een schaamteloze vertoning. Mijn val is de bevestiging dat ik, hoewel ik het wiel kan houden van een Italiaanse prof, zeker niet moet denken dat ik een wielrenner ben.’ (uit ‘Egoïsten van het zuiverste ras – de wielerronde van Senegal’, 2003)

In de binnentuin van het museum Boijmans Van Beuningen ligt het vliegtuigje OK-KUL 09, waarmee Conijn en zijn reisgenoot John Treffer in 2005 neerstortten. Van de schroef is niets meer over. In de rest van de film bevragen de kunstenaar en zijn co-piloot elkaar tot vervelens toe: wat ging er mis? Na een week begint de kunstenaar een beter model vliegtuig te schetsen, maar het heilige vuur is eruit. De grote wens om op te stijgen maakt plaats voor meer praktische wensen als beter zicht en een noodparachute. Weg heroïek.

Een eerdere gebeurtenis is daarvoor minstens zo belangrijk geweest. In 2004 maakte Conijn de film Siddieqa, Firdaus, Abdallah, Soelayman, Moestafa, Hawwa, Dzoel-kifl, waarin hij het dagelijks leven vastlegde van de in totale vrijheid levende broers en zussen uit de titel. In feite een ode aan het ongerijmde, het niet gecontroleerde. De zeven kinderen speelden op hetzelfde terrein waar Conijn woonde dag in dag uit in de modder. Ze stookten vuren, bakten eieren, sloopten caravans met een bijl en leerden zichzelf wat nodig was. In de film worden ze niet geobserveerd, maar word je een van hen. ‘Joost waar was ju de heele tijt’ schreven ze op een briefje aan de kunstenaar. Kort nadat de film voltooid was, overleed de moeder van het gezin en werden de kinderen in een wilde actie van Jeugdzorg en de gemeente Amsterdam van hun bed gelicht, uit elkaar gehaald en in tehuizen en gezinnen geplaatst – de kranten en televisie hielpen een handje. De idylle die Conijn misschien wel al te naïef geschetst had, bestaat inmiddels niet meer. Het moet een harde dobber zijn geweest. Dingen kunnen mislukken, óók als je ze heel graag wilt. Toch zijn het juist deze twee voorvallen die ervoor zullen gaan zorgen dat Joost Conijn zich zal ontwikkelen tot meer dan een tweedimensionale held. Tot een volwassen kunstenaar die toch niet bij de praters, de ‘misschien’-zeggers gaat horen.

Want de kunstenaar is sindsdien als held uit zijn eigen verhaal verdwenen en de ware drijfveer wordt daardoor des te duidelijker. Die drijfveer is oprechte interesse voor, en de wil om de wereld te begrijpen. Zowel de werking van een houtvergasser, als de mensen die hij langs de weg tegenkomt. In eerder films werd de aandacht vooral getrokken door de spectaculaire voertuigen, maar de weg en de mensen waren altijd al minstens zo belangrijk. In de meest recente film Olland, volgende week op televisie, gooit Conijn het over een sociaal-politieke boeg. Met carte blanche van de Humanistische Omroep vertrok hij met vrienden John Treffer en Rogier Walrecht naar het Rifgebergte en maakte daar een lange, zware fietstocht.

In de film, waarbij de kunstenaar zelf nauwelijks in beeld is, worden de drie fietsers tot in de verste uithoeken van het gebied verlegen makend gastvrij ontvangen door mensen met een middeleeuws werk- en leeftempo. Die koken voor hen, zetten thee, bieden hun salon als slaapplaats aan – en diepen vrijwel allemaal, uit alle generaties, woorden Nederlands uit hun geheugen op uit hun tijd als legale of illegale arbeider.

Het is zeker niet Conijns beste film. Maar zoals Conijn eerder de kijker meenam naar de vergeten randen van Oost-Europa, waar zijn houten auto hem bracht naar oorden ver van bezinepompen, trekken we nu met hem en zijn vrienden mee een gebied in waar heel bestuurlijk Nederland de mond vol van heeft, maar het nauwelijks kent. Opnieuw werkt de film als een oproep om achter de krant, de computer, de koffie vandaan te kruipen en te doen. Want wie echt iets wil begrijpen, die blijft niet thuis.

==========

Joost deed een TEDx presentatie op geheel eigen wijze in 2011 waar hij foto's en filmpjes liet zien. Bekijk het hier

We zijn door ons film-archief gegann en vonden een paar stukjes film van Joost en zijn eerste vliegtuig op de ADM:

 

================================

Originele artikel hier ||| Original article here

================================

(Robodock #2, 1999  Photo by Roderick van Hasselt)

 

Things can go wrong too
 

He built a real-life plane, and a wooden car that ran on wood. The oeuvre of Joost Conijn is soaked in heroism.
 

Sacha Bronwasser

March 8, 2007, 00:00

The artist has just crashed. There is his self-built plane in a Czech field: the head snapped, the nose drilled into the ground. The artist looks at his traveling companion who survived it as well and who miraculously continues to film. A face full of sensational relief. "We have nothing at all." Adrenaline busts. Such eyes you can only be seen at young fathers - or someone who has just escaped from death.

Then, in the movie OK-KUL 09 (2006), the artist is in an ambulance, where the realization of what has just happened is sinking in, like a stone in a river. He turns pale, wipes his face, leans backwards, forward. He seems suddenly years older. Because he and his friend may have survived it, his artwork failed. All the effort, all the plans and all that blind faith in the good run: gone. Everything is different now. And it all seemed so easy, for Joost Conijn and his audience. There are thinkers and doers. Talkers and makers. Home lovers and travelers. The "maybe"-sayers and the "yes"-sayers. The world seems to be distinctly divided by the work of Dutch artist Joost Conijn, vehicle builder and maker of films. Last week, the publishing house Valiz, published the book Iron and Video, simultaneously with his first major solo exhibition in the museum Boijmans Van Beuningen in Rotterdam.

Book and exhibition show an oeuvre that is impregnated with the urge of doing. The maker invents, observes, welds, writes stories and goes on an adventure under the denominator of visual arts - because that is a field where you can do many different things in freedom. And doing is the means and the purpose.

Joost Conijn (Amsterdam, 1971) built a bicycle that ran backwards and a moped with his own body as a chassis. He made a gate of car doors that opened itself when you approached it; The thing is still somewhere in the desert, in Morocco. He built a plane that actually took off, and a wooden car that ran on wood. With that car he traveled through former Eastern Europe all the way to Chernobyl, where he ate fish out of the doomed water over there. "The barrier of the largest area closed to humans as a result of a disaster, opens for us. We do not talk as we drive the straight road leading us to the heart of the zone. We're looking around us, scared as we are for the radiation, but it's not visible. "(From: The Zone, 2001)

Then, as an outsider, he rode the Senegal cycling tour. Then he stayed at home, around his caravan at the remote ADM terrain in Amsterdam, to capture a bunch of children on video, who were living outside the law and society. And then began to build a new plane.

Conijns vehicles are beautiful in their own right: simple, handmade, without prefab solutions but always functional. About those objects and journeys he created movies, which are simply called Aircraft or Woodcar. They were screened in both highbrow art institutions and documentary festivals like IDFA, television, in foreign galleries and manifestations and in shows on squatted terrains on the outskirts of the city. They look temptingly uncomplicated. No music, the camera close to the subject, occasionally a simple question. Just as simple as Conijn speaks about his own work. "Well, why not, I think everybody can build an airplane," he said to the creators of a television documentary in 2000, while pouring oil into his own airplane. But everybody knows that is not the case. While Conijn chooses the sky, you remain as a viewer behind the thoughtful, homely "maybe" saying side of a gaping divide. The side where no air crafts are built, the clock thermostat is doing it's job and the premium for the funeral insurance is paid on time. "We are lying fully stretched in the grass next to the track. I have to practice still a lot, but it's going perfectly well, very beautiful landings, says Jelle. I say to Jelle: "Don't you want to have a go?" Jelle replies that he isn't allowed by his wife, if something happens to him, she has to drive all the way to the Netherlands." (Police Officer, 2006)

Such a gap may be the ultimate romantic representation of things, therefore it isn't untrue. moreover classic. For example, it was brought to the radio by Godfried Bomans and Jan Wolkers at the abandoned northern island of Rottumerplaat in the birth year of Joost Conijn. Where Bomans was feverish and scared of the screeching seagulls in his tent for a week and almost died of loneliness, Wolkers walked in his naked butt, survived on self-caught shrimps and hand picked 'sea lettuce' and rescued a young seal dog.

Listen to the recordings (published as a listening book) and you know with whom you most likely identify - but also who you most likely seem to be. There is undeniably a sense of romance in the simplicity, in the elimination of obstacles and objections, and in the pursuit of freedom, which, by the way, let's itsself describe very gladly.

Author Tommy Wieringa sought in the artist the information and finesses for the protagonist in his novel Joe Speedboat, who builds a plane, with which he frightens the inhabitants of the stifling novel village of Lomark. From a distance, Joost Conijn himself seems a bit of a novel character. Including details like an athletic and at the same time neat appearance, a preference for white pants and a parade of pretty girls and handy boys who join him for a shorter or longer period. And the realized intention to never drink one drop of coffee, because it belongs to the rituals of adulthood (recalls author A.L. Snijders in the book Iron and Video). The latter connects him with the artist Panamarenko, more than the fact that he also builds planes, flying saucers and submarines. They will never really move, something that is unimaginable to the artist Conijn. But both have succeeded to raise curiosity and determination, which is irradicated in almost all people in puberty, across the border to adulthood. Like "children's dreams which have matured in their own right" as Panamarenko said in 2000 to the Volkskrant.

There are also other related spirits. Conijn himself mentions John Körmeling, the equally unorthodox engineer-artist, his great example and best critic, from their first encounter onward. Körmeling also does not mystify and presents solutions that are so obvious that nobody dares to imagine: turn the Museumplein into a highway, or put the word TEA on a tea house. The obvious drive with which everything seems to be successful with this kind of artist makes one jealous. Actor Frank Lammers, who was recently with the artist in the talk show 'The world continues to revolve', expressed the most primary reaction to the phenomenon with a sigh: "I wish I was Joost Conijn." But how long does an artist stay a hero from a boy's book?'"

Cyclists have the habit of shaving their legs. This is the sign of a true rider. I'm a sore for the eye with my unshaved legs. My fall is the confirmation that, although I can keep up with an Italian professional, I certainly should not think I'm a cyclist." (from 'The Purest Race Egoists - Senegal Cycle Tour', 2003)

In the courtyard of the museum Boijmans Van Beuningen lays the plane OK-KUL 09, with which Conijn and his travel companion John Treffer crashed in 2005. There is nothing left of the propellor. In the rest of the film, the artist and his co-pilot ask each other at length: what went wrong? After a week, the artist begins to sketch a better model plane, but the sacred fire is gone. The great desire to lift off makes way for more practical wishes, such as better visibility and an emergency parachute. Gone is the heroismn.

An earlier event has been equally as important for that. In 2004, Conijn made the film Siddieqa, Firdaus, Abdallah, Soelayman, Moestafa, Hawwa, Dzoel-kifl, recording the daily lives of the in total freedom living brothers and sisters from the title. In fact, an ode to the grumbled, the not controlled. The seven children played at the same terrain where Conijn lived, in the mud every day. They made fires, baked eggs, demolished caravans with an axe and learned what was needed. In the movie they are not observed, but you become one of them. "Joost, wear wear you the hole time," wrote a letter to the artist. Shortly after the film was completed, the mother of the family died and the children were lifted from their beds, by a wild action of Youth Care and the municipality of Amsterdam, taken apart and placed in foster homes and families - the newspapers and television helped a bit. The fairy tale which Conijn might have created too naive, does no longer exist. It must have been a hard lesson. Things can fail, even if you want them very much to succeed. Nevertheless, it is precisely these two events that will cause Joost Conijn to develop into a more than two-dimensional hero. To a grown-up artist who still does not belong to the talkers, the "maybe" sayers.

Because the artist has since disappeared as a hero from his own story, the real driving force becomes even more clear. That motivation is sincerely interest in, and the will to understand the world. Both the operation of a wood carburetor and the people he meets along the way. In earlier films attention was mainly drawn to the spectacular vehicles, but the road and the people were always equally as important. In the most recent film Olland, next week on television, Conijn is entering the social-political realm. With carte blanche from the Humanistic Broadcasting organization, he left with friends John Treffer and Rogier Walrecht to the Rif mountains and made a long, exhausting bike trip.

In the film, where the artist himself is barely on camera, the three cyclists are welcomed with shyness inducing hospitality, received by people all over the country, who have a medieval work and living tempo. They're cooking for them, make tea, offering their salon as a sleeping place - almost all of them, from all generations, delve words from their memory, from their times as a legal or illegal worker.

It's definitely not Conijn's best movie. But as Conijn took the viewer earlier to the forgotten edges of Eastern Europe, where his wooden car brought him to places far away from gas pumps, we now move with him and his friends in an area, of which administrative Netherlands has its mouth full of, but hardly knows about. Again, the film serves as a call to crawl from behind the newspaper, the computer, the coffee and to just do it. Because one who really wants to understand something, does not stay at home.

=============

Joost did an TEDx talk in 2011 in his very own way, in which he showed pictures and movie fragments. You can watch it here

We went through our film-archive and found some snippets of Joost and his first plane at the ADM: